7 juni 1924 – Asbest, toen nog wel

In het een vergelijkend onderzoek naar asbestsoorten met verschillende herkomst worden die uit Canada, Siberië en Zuid-Afrika vergeleken. Genoteerd werden, naast kleurverschillen, verschillende gehaltes aan kiezelzuur, magnesiumoxide, ijzeroxide en aluminium. Niet vermeld wordt in dit referaat waar, en of, toentertijd asbest in de farmacie werd toegepast. Later, in de naoorlogse periode, werd het toegepast voor het pyrogeen- c.q. endotoxinevrij maken van injectievloeistoffen; zowel in de vorm van ruwe vezels, als in de vorm van filterplaten. Laatstgenoemde werden ook veelvuldig gebruikt in bierbrouwerijen voor het klaren van het bier.

In de rubriek “Handelsberichten” treffen we aan twee deponeringen van handelsmerken van bedrijven die we ook nu nog kennen. De eerste betreft de lettercombinatie S.C.I.K. ten name van de N.V. Sociëteit voor Chemische Industrie “Katwijk” te Katwijk aan Zee. Dit bedrijf zelf werd in 1914 opgericht en het inmiddels ter ziele gegane Katwijk Farma stamt uit deze stal. Het topprodukt van dit bedrijf was in de naoorlogse jaren het “Tonicum Katwijk” (afbeelding). Ook treffen we de vermelding van de Firma L.F. Will & Co, dat als Will-Pharma wel de tand des tijds heeft doorstaan, en nu het honderdjarig bestaan viert.

31 mei 1924 – Een Rietveld – Apotheek

In een bericht getiteld “s-Gravenhage – Een moderne apotheek” lezen we: “Tot dusver zijn over ’t algemeen de apotheken altijd ingericht naar het ouderwetsche voorbeeld, dat een fijne stemming gaf van oude tijden, althans van vriendelijke 18e– en 19e-eeuwse deftigheid. Maar de heer A.J. van Huffel, die een apotheek heeft geopend in de de Riemerstraat 115, hoek Elandstraat, heeft gemeend, dat in onzen tijd een apotheek evengoed als ieder ander interieur, modern (hier in de beteekenis van artistiek-modern) kan worden ingericht. Hij wendde zich tot den Utrechtsen Binnenhuis-Architect Rietveld, die een zeer eenvoudig, strakke en mooie oplossing heeft gevonden. In  strenge vierkante vlakken, wit, grijs en zwart, heeft Rietveld de interieurs van voor- en achterkamer en bibliotheek rustig en voornaam gehouden: in niets afwijkend van iedere andere apotheek dan door de rust van lijnen- en kleurenspel. Een heel gelukkige oplossing.”

Het grootste deel (17 pagina’s) van deze aflevering van het PW was gewijd aan de geneeskruidenteelt als zaak van algemeen belang. De 1e Wereldoorlog had het belang daarvan sterk vergroot en in reactie daarop werden in een aantal Europese landen proeftuinen voor geneeskruiden ingericht. In Nederland werd, als gevolg van de vrees dat door de Eerste Wereldoorlog niet langer voldoende hoeveelheden geneeskrachtige planten beschikbaar zouden zijn, in 1914 de Nederlandse Vereniging van Geneeskruidtuinen opgericht. Door deze vereniging werd toen in de cultuurtuin van de Technische Hoogeschool te Delft, ook een kweektuin voor geneeskruiden ingericht. Deze proeftuin werd echter korte tijd later, bij gebrek aan genoegzame belangstelling weer opgeheven.

Foto’s : Collectie Centraal Museum Utrecht / Rietveld Schröderarchief © Pictoright

Foto

24 mei 1924 – Koloniale jaloezie

De successen die Nederland behaalde met de kina-cultuur in de Indonesische archipel wekte natuurlijk de jaloezie van andere koloniale mogendheden. Dus probeerden Frankrijk en België de kina-teelt te kopiëren in hun Afrikaanse koloniën, maar dat leverde slechts teleurstellende resultaten: “De exemplaren ontwikkelen zich niet voorspoedig; de boomen vormen geen stam, doordat reeds enige cm. boven den grond een deeling in takken plaats vindt. Ook verder is de groei zeer abnormaal”.

Bericht wordt inzake een voordrachtenserie over de geschiedenis van de chemie waarbij gewag wordt gemaakt van de verbranding van metalen met zwavel, doch zonder zuurstof. De Franse scheikundige Lavoisier (afbeelding) had in 1777 de flogiston-theorie (volgens welke alle brandbare materialen flogiston bevatten, een substantie zonder kleur, geur, smaak of massa; die de eigenschap van ‘hitte’ in zich zou dragen) ontkracht en aangetoond dat zuurstof in de lucht de basis voor verbranding leverde. Echter, de latere ontdekking dat zwavel met metalen kon “verbranden” in schijnbare afwezigheid van zuurstof zorgde toch weer voor verwarring. Kon dat dan wel waar zijn gloeiing en verbranding zonder lucht en zonder flogiston? Uiteindelijk hebben Amsterdamse wetenschappers (er worden geen namen genoemd in het bericht) deze waarheid inderdaad vastgesteld.

Melding wordt gemaakt van een Koninklijk Besluit tot aanpassing van de Warenwet, volgens welk grenzen werden gesteld aan het gehalte arsenicum in behangsel, meubel- en gordijnstof. De achtergrond van deze toepassing is mij niet meteen duidelijk, vermoedelijk betrof dit de toepassing als kleurstof bijv. als koperarsenaat.

17 mei 1924 – Arbeidslust en kunstgeneesmiddelen

“Hoe zal de arbeidslust en de liefde voor het beroep gefnuikt worden bij een apotheker, die zijn arbeid onvoldoende gehonoreerd acht en dan nog wel door wettelijken dwang. Een voortdurende strijd tusschen de apothekers, die het tarief hooger willen stellen, en de Regeering, die het in het belang van het publiek zoo laag mogelijk wil behouden, is niet uitgesloten”. Dit lezen we in het NMP – jaarverslag over 1923 en, inderdaad, die strijd duurt voort tot op de dag van vandaag.

In eenzelfde jaarverslag, maar dan van het Algemeen Ziekenfonds Amsterdam, lezen we weer het nodige over de geneesmiddelkosten per verzeekerde toen. Deze bedroegen ƒ 1,755 per ingeschrevene. Voor 115.091 verzeekerden werden in 1923 1.013.581 recepten gereed gemaakt, d.w.z, 8,81 recept per verzeekerde, kinderen inbegrepen.

Er wordt vandaag gewag gemaakt van een lezing voor de Hollandse Maatschappij der Wetenschappen door prof. dr. A.F. Holleman, getiteld “Natuurstoffen en kunststoffen”. Daarin werd ook uitgebreide aandacht geschonken aan “kunstgeneesmiddelen”, d.w.z. kunstmatige synthetische geneesmiddelen door chemische fabrieken voortgebracht. Voorzover de spreker met deze woordkeus al niet zijn “grondhouding”  tegenover de verworvenheden van de chemie tot uiting brengt, neemt het volgende citaat iedere twijfel daaromtrent weg. “Ieder practicus weet, dat digitalisinfuus door geen enkel der vele zuivere en zuiverder digitalis-praeparaten geëvenaard wordt. Ook het versche infuus van moederkoorn schatten vele medici boven gezuiverde praeparaten; het is te verwachten, dat dit van vele andere kruiden en hunne extracten gezegd zal worden. O.a. van het Pantopon (afbeelding), een opiumpraeparaat, waarin de verschillende opiumalkaloieden voorkomen, en dat eene veel betere werking heeft dan zuivere morphine”.

26 april 1924 – Bordeaux mengsels – vinologie?

Nee, dit is noch farmacie, noch vinologie maar botanie. “Het sproeien van planten met de Bordeauxsche pap verhoogt vooral des nachts het transpireeren”. Deze pap was dan een mengsel van kopersulfaat, kalk en water. Daarvan bestonden 3 typen: een zure, een neutrale en een alkalische.

In een bijzonder bericht wordt gewag gemaakt van de “aanteekeningen die door den Utrechtsen apotheker Kethel zijn gemaakt, op poederpapiertjes,  ten tijde van het koningschap van Lodewijk Napoleon (1806 – 1810) in ons land. Deze koning koos Utrecht als residentie om onbekende redenen. Utrecht telde in dien tijd 31.000 inwoners en had weinig handel en nijverheid. Verschillende huizen werden door de koning aangekocht, met welken aankoop groote sommen gemoeid waren en dit betroffen panden aan de Drift, Wittevrouwenstraat en Mariaplaats”. De poederpapiertjes zijn uiteindelijk in de Rijksuniversiteitsbibliotheek gearchiveerd, maar of ze daar nog steeds verblijven…….. In een departementslezing (Rotterdam) spreekt collega Exler over “Doodgaan” dat wetenschappelijk gezien zou bestaan uit het afzetten van lipoiden op, en daardoor verharden van, de bloedvaten alsmede uit het uitvlokken van het protoplasma. Ter bestrijding van ziekte en doodgaan zou daarom meer verwacht moeten worden van physico-chemitherapie, dan van de oude organo-therapie. Het colloieden-gehalte daarvan zou de basis vormen van de werkzaamheid. Dit alles sluit aan bij de opkomst van de colloied-chemie in die tijd. In 1925 zou Zsigmondy (afbeelding) de Nobelprijs Chemie ontvangen voor zijn werk op het gebied van die collied-chemie

10 mei 1924 – Farmaco-economie en suikertaks

Voor wie in de vroege apothekers-opleiding nog jodometrische titraties heeft verricht is het referaat daarover in de aflevering van vandaag interessant. “Weegens den hoogen prijs van jodium en zijn zouten hebben de Schrijvers naar een “Ersatz” gezocht en meenen dit in broom te hebben gevonden”. Een vroege en bijzondere vorm van farmaco-economie dus, dat we nu in een geheel andere gedaante kennen. De vluchtigheid van broom was wel een probleem en dat werd opgelost door een oplossing van broom in 22 pCt-ig zoutzuur te gebruiken.

Aandacht wordt besteed aan de eerste herdruk van Willmar Schwabe “Deutsche Homöopathische Arzneibuch” dat voor het eerst verscheen in 1901. Schwabe (1839 -1917) was een Duitse apotheker (afbeelding) die in 1866 in Leipzig de Homöopathische Central-Officin oprichtte. In Nederland verscheen later in 1913 het Nederlandsche Homeopathische Artsenijboek.  Veel elementen uit laatstgenoemde blijken in die Duitse herdruk te zijn overgenomen. De herdruk werd door de referent (Prof. dr. van der Wielen) als een waardevolle aanwinst voor de homeopathische pharmacie beschouwd.

In een verslag wordt aandacht besteed aan een bezoek van buitenlandse gezondheidsambtenaren in het kader van de uitwisseling van Volkenbondartsen. De lezingen stonden in het teken van het belang van deugdelijke voeding, waarbij ook de situatie in de recente oorlogsjaren de revue passeerde. Herinnerd werd aan de eenheidsworst tijdens die jaren, die als “als zinnebeeld van eenheid en broederschap geen slecht figuur sloeg, maar wat zijn kwaliteit betrof meer geleek op een fietsband dan op een saucisse de Boulogne”. Ook het belang van “de winst aan energie die een rationele voeding verzeekert” wordt gememoreerd, “maar meer dan de physioloog geeft de fiscus hier de doorslag, getuige de suikeraccijns”. Obesitas was toen duidelijk nog geen maatschappelijk probleem, nu wordt een “suikertaks” juist als wenselijk ervaren.

3 mei 1924 – Vaccinatie 200 jaar voor Jenner

In een bericht over de Geschiedenis der artsenijbereidkunde wordt verslag gedaan van een lezing van dr. C.J.S. Thompson, directeur van de “Wellcome historical medical Museum” te London. We lezen daarin dat in China al heel vroeg, rond 1600, koepok-inenting werd toegepast. Dat was dus 200 jaar voordat Jenner de koepokinenting ontwikkelde, en aan wie daarvoor ook de wetenschappelijke eer  werd toegekend.  Aanvankelijk waren deze Chinese methoden primitief, zo werden kinderen gekleed in kleren van door pokken besmette leeftijdgenoten. In de 18e eeuw werden al wat betere methoden toegepast en werd de wondkorst van pokken-patiënten tot poeder vermalen en vervolgens in de neusholte van kinderen gebracht. Met name keizer Kangxi (1654 – 1722), die zelf besmet was geraakt met pokken, was een groot voorstander van de vaccinatie en liet alle kinderen in zijn imperiale familie vaccineren. In de vroege 19e eeuw werd uiteindelijk ook de methode van Jenner in China geïntroduceerd (afbeelding).

Bij de Boekaankondigingen treffen we vandaag de eerste druk van het bekende “Inleiding tot de physische chemie: de kolloiedchemie in het bijzonder” door prof. dr. H.R. Kruyt. Dit boek zou tot in de jaren 70 in de farmacie–opleiding te Utrecht in gebruik blijven.

In de rubriek “Nieuwe geneesmiddelen en voorschriften” treffen we weer een aantal “bijzondere” geneesmiddelen aan:

  • Anti-asthmapastilles, bestaande uit plantaardige bestanddelen (folia stramonii, folia lobeliae, cubebae, dennenaalden, carbo ligni en oleum eucalypti) waaruit met behulp van gomslijm pyramidevormige pastilles weren gemaakt die, na goed gedroogd te zijn, dienden om verbrand te worden
  • Glucoven, een intraveneuze oplossing met 45% glucose en 5% calciumchloride, voor toepassing bij tuberculose en influenza
  • Neo-chinamyl: trichlooraldehyde-chinine-isovaleriaanzure aethylester, tegen hartneurosen (?), en nerveuze slapeloosheid

19 april 1924 – Nooit gekende gezondheid publiek

Veel aandacht vandaag voor de jaarverslagen der departementen over 1923. Het Departement Haarlem toont zich van de somberste kant met de notitie: “Het was in alle opzichten een slecht jaar. De algemeen heersende malaise werd in apothekerskringen nog eens extra geaccentueerd door een nooit gekende gezondheid van het publiek”.

In een uitgebreid bericht wordt verhaald dat de Amerikaanse Council on Pharmacy and Chemistry ichtyol heeft geschrapt als non-official remedy. “Ichtyol werd ongeveer 40 jaar geleden in de therapie der huidziekten geïntroduceerd, voornamelijk door den invloed van Unna. In dien tijd hadden artsen meer belangstelling voor de reputatie van hen, door wie geneesmiddelen aanbevolen werden, dan voor de feiten waarop die aanbevelingen waren gebaseerd”. Die aanbevelingen betroffen toen de behandeling van rheumatiek, erysepilas en gonorrhoe. Merck and Company, die het product in de VS op de markt brachten weigerden echter deze aanbevelingen aan nieuwe inzichten aan te passen en het product uitsluitend voor de antiseptische en verzachtende werking op ontstoken slijmvliezen aan te prijzen. Paul Gerson Unna (1850 -1929, afbeelding) werd en wordt beschouwd als de grondlegger van de dermatopathologie. Zijn boek Histopathologie der Hautkrankheiten was toen een klassieker.

12 april 1924 – Een radioactieve zalf

In de rubriek nieuwe geneesmiddelen treffen we vandaag het geneesmiddel Doramad aan; een radioactieve zalf welke Thorium X, het afbraakprodukt van radiothor, bevat. Het doramad bevat per gram 1000 electrostatische eenheden. “Door het uitzenden van stralen, verschilt het van  radiumpraeparaten, door afbraak verliezen de doramad praeparaten echter spoedig hun werkzaamheid. Zij worden gebruikt bij psoriasis en andere huidaandoeningen”. Dit was de tijd dat de farmacotherapeutische activiteit van radioactiviteit volop in de belangstelling stond, over de schadelijkheid van radioactieve straling was toen nog helemaal niets bekend. Pas in 1934 zou Marie Curie overlijden, op 66-jarige leeftijd, aan leukemie welke vrijwel zeker veroorzaakt door de enorme stralingsdoses waaraan zij tijdens haar wetenschappelijke carriére werd blootgesteld. Een markante carriére die haar de eerste vrouwelijke Nobelprijs opleverde, en die haar tot één van de vijf wetenschappers bestemde die twee Nobelprijzen won. Vooral de Doramad Tandpasta (afbeelding) vond later op grote schaal toepassing.

Ook wordt melding gemaakt van een merkwaardige ambtelijke discrepantie inzake de vraag of codeïne nu wel of niet onder de Opiumwet 1920 valt. Het Nederlands Staatstoezicht op de Volksgezondheid vond van niet, maar de Hoofdinspecteur, en hoofd van den dienst der Opiumregie in Indië, vond van wel. Maar zijn lijst met “surrogaten van morphine” bevatte ook de stof papaverine en preparaten daarvan.  Dus wellicht was dat toch een te rechtlijnige opvatting.

5 april 1924 – Grondstoffen en kruiden

Deze aflevering is vrijwel geheel gewijd aan farmaceutisch-analytische onderwerpen en wordt ook geopend met een verslag van het onderzoek verricht in het laboratorium van ’s Rijks Magazijn van Geneesmiddelen over de periode 1 maart 1922 tot 31 december 2023. In deze periode werden 1109 grondstofmonsters onderzocht waarvan er 106 werden afgekeurd. Opmerkelijk genoeg werden er geen “verpakte geneesmiddelen” onderzocht waarmee weer eens wordt bevestigd dat deze in de toenmalige geneesmiddelvoorziening nog een ondergeschikte rol speelden. Het magazijn was gevestigd op de Sarphatistraat 410 in Amsterdam en werd gebouwd als onderdeel van de militaire gebouwen aldaar.

In de huidige tijd anno 2024 treffen we in het PW geen besprekingen meer aan van dissertaties van technische universiteiten c.q. hogescholen, maar deze week, een eeuw terug, lazen we over het werk van S.I. Vles inzake de reactiesnelheid van zuurstof met oplossingen van eenige anorganische zouten. En dat betrof dan natuurlijk de Technische Hoogeschool in Delft, want die in Twente en Eindhoven moesten nog worden  opgericht. Samuel Isidorus Vles zou in 1944 in Bergen-Belsen overlijden (afbeelding).

Ook wordt melding gemaakt van een bijzondere prijsvraag uitgezet door de Nederlandse Vereeniging voor Geneeskruidtuinen: ”In onze vaderlandsche Flora worden verschillende geneeskruiden aangetroffen die niet of onvoldoende bestudeerd zijn. De Vereeniging verlangt een monografie over één of meer van deze gewassen.” De prijs bedroeg ƒ 250.

Social media & sharing icons powered by UltimatelySocial